040. Bijbelstudie over

YESHUA IN DE TENACH - YESHUA B’HATENACH

!nthb iv>y

 

 

 “Zie, Mijn knecht, die Ik ondersteun; Mijn uitverkorene, in wie Ik een welbehagen heb. Ik heb Mijn Geest op Hem gelegd…” (vhyi>y Yeshayahu [Jesaja] 42:1).1 Deze woorden herinneren ons aan de stem die uit de hemel kwam, nadat Yeshua in de Jordaan ondergedompeld werd, terwijl Ruach haQodesh [de Heilige Geest] als een duif op Hem neerdaalde. Dat is geen toeval! Het gaat hier namelijk om een profetie die daadwerkelijk deze gebeurtenis betreft! In de !nt TeNaCH [de Hebreeuwse Bijbel] staan er her en der soms kleine, soms wat langere teksten, verdeeld over de hrvt Tora, de profetische boeken en de ,ylht Tehilim [Psalmen], die de komst, maar ook de wederkomst van de Mashiach [Messias] voorspellen. Menige tekst op zich lijkt op het eerste gezicht nergens op te slaan en is zonder kennis van h>dxh tyrb B’rit haChadasha [het Nieuwe Testament] nauwelijks te begrijpen. Dat verklaart ook de grote moeite die vele van onze Joodse broeders en zusters hebben om in Yeshua hun eigen langverwachte Mashiach te zien. Indien men echter alle profetieën uit de TeNaCH aangaande de Verlosser inventariseert en rangschikt, dan begint het hele leven van Yeshua langzaam duidelijk zichtbaar te worden.

 

De geboorte van de Mashiach

 

Het begin van de B’sora haTova [blijde boodschap] van Yeshua haMashiach is precies zoals het geschreven staat bij de profeten: “Zie, Ik zend Mijn bode, die voor Mijn aangezicht de weg bereiden zal.” (ykalm Mal’achi [Maleachi] 3:1).2 “Bereidt in de woestijn de weg van Adonai, effent in de wildernis een baan voor onze G’d.” (vhyi>y Yeshayahu [Jesaja] 40:3).2 Deze bode was Yochanan haMat’bil [Johannes de Doper], een Nazir [Nazireër]. Hij leefde in de woestijn en riep de Israëlieten op tot T’shuva [berouw en ommekeer] en zich te laten onderdompelen tot vergeving van zonden om hen op de spoedige komst van de Mashiach [Messias] voor te bereiden. Over de geboorte van de Mashiach in Beit Lechem [Betlehem] zijn ons de volgende teksten bekend: “Zie, de jonkvrouw zal zwanger worden en een Zoon baren; en zij zal Hem de naam Imanu’el [Immanuël] geven.” (vhyi>y Yeshayahu [Jesaja] 7:14).3 “En gij, Beit Lechem Ef’rata, al zijt gij klein onder de geslachten van Yehuda [Juda], uit u zal Mij voortkomen die een Heerser zal zijn over Yisra’el [Israël] en wiens oorsprong is vanouds, van de dagen der eeuwigheid.” (hkym Micha [Micha] 5:1).4 “Want een Kind is ons geboren, een Zoon is ons gegeven, en de heerschappij rust op Zijn schouder en men noemt Hem Wonderbare Raadsman, Sterke G’d, Eeuwige Vader, Vredevorst. Groot zal de heerschappij zijn en eindeloos de vrede op de troon van David en over Zijn koninkrijk, doordat Hij het sticht en grondvest met recht en gerechtigheid, van nu aan tot in eeuwigheid.” ((vhyi>y Yeshayahu [Jesaja] 9:5-6).5 Na acht dagen ontving Hij de naam Yeshua, die door de engel genoemd was, eer Hij in de moederschoot was, bij de hlym9tyrb B’rit Mila [besnijdenis], die Hij onderging overeenkomstig het gebod: “Op de achtste dag zal het vlees van zijn voorhuid besneden worden.” (arqyv Vayiq’ra [Leviticus] 12:3).6 Na de geboorte van Yeshua was Mir’yam [Maria] 40 dagen onrein, en toen de dagen van hun reiniging naar de Tora van Moshe vervuld waren, brachten zij Hem naar Yerushalayim [Jeruzalem] om Hem aan de Eeuwige op te dragen, gelijk geschreven staat in de Tora van Adonai: “Wanneer een vrouw moeder wordt en een kind van het mannelijk geslacht baart, dan zal zij zeven dagen onrein zijn; als in de tijd van haar maandelijkse afzondering zal zij onrein zijn. - Drieendertig dagen zal zij blijven in het reinigingsbloed; niets heiligs zal zij aanraken, naar het heiligdom zal zij niet komen, totdat de dagen van haar reiniging vervuld zijn. - Als de dagen van haar reiniging vervuld zijn, zal zij voor een zoon of voor een dochter een eenjarig schaap ten brandoffer, en een jonge duif of tortelduif ten zondoffer, naar de ingang van de ]k>m Mish’kan [tabernakel] tot de ]hk Kohen [priester] brengen. Deze zal het voor het aangezicht van Adonai offeren en over haar verzoening doen; dan zal zij rein zijn van haar bloedvloeiing. Dit is de wet voor haar die gebaard heeft, hetzij het een kind van het mannelijk of van het vrouwelijk geslacht betreft. Indien echter haar vermogen niet toereikend is voor een stuk kleinvee, dan zal zij twee tortelduiven of twee jonge duiven nemen: de ene ten brandoffer en de andere ten zondoffer, en de Kohen [priester] zal over haar verzoening doen, en zij zal rein zijn.” (arqyv Vayiq’ra [Leviticus] 12:2,4,6-8).7 Mir’yam bracht twee tortelduiven. En zie, er was een man te Yerushalayim [Jeruzalem], wiens naam was Shim’on [Simeon], en deze man was een qydj Tzadiq en dycx Chasid [rechtvaardige en vrome], en hij verwachtte de vertroosting van Yisra’el [Israël], en Ruach haQodesh [de Heilige Geest] was op hem. En hem was door Ruach haQodesh een g’dsspraak gegeven, dat hij de dood niet zou zien, eer hij de Mashiach van Adonai gezien had. En hij kwam door de Ruach [Geest] in de tempel. En toen de ouders het kind Yeshua binnenbrachten om met Hem te doen overeenkomstig de gewoonte der Tora, nam ook hij het in zijn armen en hij loofde haShem en zeide: “Nu laat Gij, Adonai, Uw dienstknecht gaan in vrede, naar Uw woord, want mijn ogen hebben Uw Heil (!tiv>y Yeshuat’cha) gezien, dat Gij bereid hebt voor het aangezicht van alle volken: licht tot openbaring voor de Goyim [heidenen] en heerlijkheid voor Uw volk Israël gelijk geschreven staat: “Ik stel U tot een licht der volken, opdat Mijn Heil (ytiv>y Yeshuati) reike tot het einde der aarde.” (vhyi>y Yeshayahu [Jesaja] 49:6).8 Toen koning Herodes hoorde dat er in Beit Lechem [Betlehem], de stad van David, de nieuwe Koning der Joden geboren was, ontstak hij in hevige toorn en zond bevel om in Beit Lechem en het gehele gebied daarvan al de jongetjes van twee jaar oud en daar beneden om te brengen. Toen werd vervuld het woord, gesproken door Yir’m’yahu haNavi [de profeet Jeremia], toen hij zeide: “Hoor, te Rama klinkt een klacht, bitter geween: Rachel weent om haar kinderen, zij weigert zich te laten troosten over haar kinderen, omdat er geen meer is.” (vhymry Yir’m’yahu [Jeremia] 31:15).9 Mir’yam en Yosef waren echter van tevoren naar Egypte gevlucht met het kind Yeshua omdat zij door een engel gewaarschuwd werden, en zij bleven daar tot de dood van Herodes, opdat vervuld zou worden hetgeen de Eeuwige door de profeet gesproken heeft, toen hij zeide: “Uit Egypte heb Ik Mijn Zoon geroepen.” (i>vh Hoshea [Hosea] 11:1).10

 

De bediening van Yeshua

 

De meeste tijd van Zijn aardse leven verbracht Yeshua rondom de Yam Kineret [het meer van Galilea]. En Hij verliet Natzaret en ging wonen te K’far Nachum [Kapernaum], aan de zee, in het gebied van Zevulon en Naf’tali, opdat vervuld zou worden het woord, door Yeshayahu haNavi [de profeet Jesaja] gesproken, toen hij zeide: “Zoals Hij in het verleden smaad bracht over het land van Zevulon en over het land van Naf’tali, zo brengt Hij in de toekomst eer over de weg der zee, de overzijde van de Jordaan, de landstreek der heidenen. Het volk dat in donkerheid wandelt, ziet een groot licht; over hen die wonen in een land van diepe duisternis, straalt een licht." (vhyi>y Yeshayahu [Jesaja 8:23).11 Van toen aan begon Yeshua te prediken en te zeggen: Bekeert u, want het Koninkrijk der hemelen is nabijgekomen. En men bracht vele bezetenen tot Hem; en Hij dreef de geesten uit met Zijn woord en die ernstig ziek waren genas Hij allen, opdat vervuld zou worden, hetgeen gesproken werd door Yeshayahu haNavi [de profeet Jesaja], toen hij zeide: “Nochtans, onze ziekten heeft Hij op zich genomen, en onze smarten gedragen.” (vhyi>y Yeshayahu [Jesaja 53:4).12 Yochanan [Johannes], die op bevel van de slechte koning Herodes gearresteerd was, hoorde in de gevangenis de werken van de Mashiach en liet Hem door zijn Tal’midim [discipelen] de vraag overbrengen: Zijt Gij het, die komen zou, of hebben wij een ander te verwachten? En Yeshua antwoordde en zeide tot hen: Gaat heen en boodschapt Yochanan wat gij hoort en ziet: “Te dien dage zullen de doven Schriftwoorden horen, en van donkerheid en duisternis verlost, zullen de ogen der blinden zien. Dan zullen de ogen der blinden geopend en de oren der doven ontsloten worden; dan zal de lamme springen als een hert en de tong van de stomme zal jubelen.” (vhyi>y Yeshayahu [Jesaja] 29:18, 35:5-6).13 Het was Yeshua, van wie Adonai gezegd heeft: “Ik, de Eeuwige, heb U geroepen in gerechtigheid, Uw hand gevat, U behoed en U gesteld tot een verbond voor het volk, tot een licht der natiën: om blinde ogen te openen, om gevangenen uit de kerker te leiden, uit de gevangenis wie in duisternis gezeten zijn.” (vhyi>y Yeshayahu [Jesaja] 42:6-7).14 En Yeshua sprak in gelijkenissen tot de scharen en zonder gelijkenis zeide Hij niets tot hen, opdat vervuld zou worden het woord, gesproken door de profeet, toen hij zeide: “Ik wil Mijn mond tot een spreuk opendoen, Ik wil aloude verborgenheden verkondigen.” (,ylht Tehilim [Psalmen] 78:2).15 Zijn Tal’midim [discipelen] vroegen Hem: Waarom spreekt Gij tot hen in gelijkenissen? Hij antwoordde hun en zei: Ik spreek tot hen in gelijkenissen, omdat zij ziende niet zien en horende niet horen of begrijpen. En aan hen wordt de profetie van Yeshayahu vervuld, die zegt: “Ga, zeg tot dit volk: Hoort aldoor, maar verstaat niet, en ziet aldoor, maar merkt niet op. Maak het hart van dit volk vet, maak zijn oren doof en doe zijn ogen dicht kleven, opdat het met zijn ogen niet zie en met zijn oren niet hore en opdat zijn hart niet versta, zodat het zich niet bekere en genezen worde.” (vhyi>y Yeshayahu [Jesaja] 6:9-10).16 Maar uw ogen zijn zalig, omdat zij zien, en uw oren, omdat zij horen. - En Yeshua kwam te Natzaret, waar Hij opgevoed was. Hij ging volgens zijn gewoonte op Yom Shabat [de sabbatdag] naar de synagoge en stond op om de Haf’tara voor te lezen. Het boek van de profeet Yeshayahu werd Hem ter hand gesteld en toen Hij het boek geopend had, vond Hij de plaats, waar geschreven is: “De Geest van Adonai is op Mij, omdat de Eeuwige Mij gezalfd heeft; Hij heeft Mij gezonden om een blijde boodschap te brengen aan ootmoedigen, om te verbinden gebrokenen van hart, om voor gevangenen vrijlating uit te roepen en voor gebondenen opening der gevangenis; om uit te roepen een jaar van het welbehagen van Adonai.” (vhyi>y Yeshayahu [Jesaja] 61:1-2).17 Daarna sloot Hij het boek, gaf het aan de Shamash [dienaar] terug en ging zitten. En de ogen van allen in de synagoge waren op Hem gericht. En Hij begon tot hen te zeggen: Heden is dit schriftwoord voor uw oren vervuld.

 

De intocht in de heilige stad

 

En toen zij Yerushalayim [Jeruzalem] naderden en te Beit Pagai [Bethfage] kwamen, aan de Olijfberg, toen zond Yeshua twee Tal’midim [discipelen] uit, tot wie Hij zeide: Gaat naar het dorp, dat tegenover u ligt, en terstond zult gij een ezelin vastgebonden vinden, en een veulen bij haar. Maakt haar los en brengt haar tot Mij. En indien iemand u iets erover mocht zeggen, zegt dan: de Heer heeft ze nodig. Hij zal ze terstond terug zenden. Dit is geschied, opdat vervuld zou worden hetgeen gesproken is door de profeet, toen hij zeide: “Jubel luide, gij dochter van Tziyon [Sion]; juich, gij dochter van Yerushalayim [Jeruzalem]! Zie, uw Koning komt tot u, Hij is rechtvaardig en zegevierend, nederig, en rijdende op een ezel, op een ezelshengst, een ezelinnejong.” (hyrkz Zechar’ya [Zacharia] 9:9).18 Nadat de Tal’midim heengegaan waren en gedaan hadden, zoals Yeshua hun had opgedragen, brachten zij de ezelin en het veulen en zij legden hun klederen erop, en Hij ging daarop zitten. En het merendeel der schare spreidde hun klederen op de weg, anderen sloegen takken van de bomen en spreidden die op de weg. En de scharen, die voor Hem uit gingen en die volgden, riepen, zeggende: Hoshana de Zoon van David! “Gezegend Hij, die komt in de naam van de Eeuwige; wij zegenen U uit het huis van Adonai!” (,ylht Tehilim [Psalmen] 118:26).18 En Hij ging de tempel binnen en vond daar de verkopers van runderen en schapen en duiven, en de wisselaars, die daar zaten. Hij maakte een zweep van touw en begon de kooplieden uit te drijven, alsook de schapen en de runderen; en het geld van de wisselaars wierp Hij op de grond, hun tafels keerde Hij om en de stoelen van hen, die de duiven verkochten. En Hij zeide tot hen: Er staat geschreven: “Is dit huis, waarover Mijn Naam is uitgeroepen, in uw ogen een rovershol?” (vhymry Yir’m’yahu [Jeremia] 7:11).19 En Zijn Tal’midim herinnerden zich, dat er geschreven is: “Ik ben een vreemde geworden voor Mijn broeders, een onbekende voor de zonen van Mijn moeder; want de ijver voor Uw huis heeft Mij verteerd, en de smaadwoorden van wie U smaden, kwamen op Mij neder.” (,ylht Tehilim [Psalmen] 69:9-10).19 De overpriesters en schriftgeleerden, evenals de voornaamsten van het volk, zochten gelegenheid Hem om te brengen, maar zij vonden niets dat zij zouden kunnen doen, want al het volk hing aan Zijn lippen. Yeshua sprak tot hen in gelijkenissen en vroeg aan de geestelijke leiders van het volk: Hebt gij ook dit schriftwoord niet gelezen: “De steen die de bouwlieden versmaad hebben, is tot een Hoeksteen geworden; van de Eeuwige is dit geschied, het is wonderlijk in onze ogen.” (,ylht Tehilim [Psalmen] 118:22-23).20 En zij trachtten Hem te grijpen, want zij begrepen, dat Hij met het oog op hen die gelijkenis gesproken had. Maar zij vreesden de scharen, daar die Hem voor een profeet hielden, en zij lieten Hem verder ongemoeid en gingen weg. Toen de Farizeeën bijeen waren, vroeg Yeshua hen, zeggende: Wat dunkt u van de Mashiach? Wiens Zoon is Hij? Zij zeiden tot Hem: David’s Zoon. En Yeshua antwoordde hen en zeide: Hoe zeggen de schriftgeleerden, dat de Mashiach een Zoon van David is? David zelf heeft Hem Heer genoemd, want hij heeft door Ruach haQodesh [de Heilige Geest] over Hem in het boek der Tehilim [Psalmen] gezegd: “Aldus luidt het woord van Adonai tot mijn Heer: Zet u aan Mijn rechterhand, totdat Ik Uw vijanden gelegd heb als een voetbank voor Uw voeten.” (,ylht Tehilim [Psalmen] 110:1).21 Indien David de Mashiach dus Heer noemt, hoe kan Hij dan zijn Zoon zijn? En niemand kon Hem daarop iets antwoorden en evenmin durfde iemand van die dag af Hem meer iets vragen.

 

Het Nieuwe Verbond

 

Pesach, de dag waarop het lam geslacht moest worden, kwam en Yeshua lag samen met Zijn Talmidim aan om de Sederavond te vieren. En Hij zeide tot hen: Ik heb vurig begeerd dit Pesach met u te eten, eer Ik lijd. Want Ik zeg u, dat Ik het voorzeker niet meer eten zal, voordat het vervuld is in het Koninkrijk G’ds. En Hij nam een beker op, sprak de B’racha uit en zeide: Neemt deze en laat hem bij u rondgaan. Want Ik zeg u, Ik zal van nu aan voorzeker niet van de vrucht van de wijnstok drinken, voordat het Koninkrijk G’ds gekomen is. En Hij nam een Matza, sprak de B’racha uit, brak het en gaf het hun, zeggende: Dit is Mijn lichaam, dat voor u gegeven wordt; doet dit tot mijn gedachtenis. Evenzo de beker, na de maaltijd, zeggende: Deze beker is het Nieuwe Verbond in Mijn bloed, die voor u uitgegoten wordt, want er staat geschreven: “Zie, de dagen komen, luidt het woord van Adonai, dat Ik met het huis van Yisra’el [Israël] en het huis van Yehuda [Juda] een Nieuw Verbond sluiten zal. Niet zoals het Verbond, dat Ik met hun vaderen gesloten heb ten dage dat Ik hen bij de hand nam, om hen uit het land Egypte te leiden: Mijn Verbond, dat zij verbroken hebben, hoewel Ik Heer over hen ben, luidt het woord van Adonai. Maar dit is het Verbond, dat Ik met het huis van Israël sluiten zal na deze dagen, luidt het woord van Adonai: Ik zal Mijn Tora in hun binnenste leggen en die in hun hart schrijven, Ik zal hun tot een G’d zijn en zij zullen Mij tot een volk zijn. Dan zullen zij niet meer een ieder zijn naaste en een ieder zijn broeder leren: Kent de Eeuwige: want zij allen zullen Mij kennen, van de kleinste tot de grootste onder hen, luidt het woord van Adonai, want Ik zal hun ongerechtigheid vergeven en hun zonde niet meer gedenken.” (vhymry Yir’m’yahu [Jeremia] 31:31-34).22

 

Het lijden en sterven van Yeshua

 

Toen ging één van de twaalven, genaamd Yehuda Ish-Q’riyot [Judas Iskariot], naar de overpriesters, en hij zeide: Wat wilt gij mij geven? Dan zal ik Hem u overleveren. En zij stelden hem dertig zilverlingen ter hand. Toen het nu morgen geworden was, namen al de overpriesters en de oudsten des volks het besluit tegen Yeshua om Hem te doden. En zij boeiden Hem, leidden Hem weg en zij leverden Hem over aan Pilatus, de stadhouder. Toen kreeg Yehuda [Judas], die Hem verraden had, berouw, daar hij zag, dat Hij veroordeeld was, en hij bracht de dertig zilverlingen aan de overpriesters en oudsten terug, en hij sprak: Ik heb gezondigd, onschuldig bloed verraden! Maar zij zeiden: Wat gaat ons dit aan? Gij moet zelf maar zien wat ervan komt! En de zilverlingen in de tempel werpende, verwijderde hij zich; daarop ging hij heen en verhing zich. De overpriesters namen de zilverlingen en zeiden: Wij mogen die niet in de offerkist doen, want het is bloedgeld. En zij namen het besluit daarvoor het land van de pottenbakker te kopen als begraafplaats voor de vreemdelingen. Toen werd vervuld hetgeen gesproken is door de profeet, toen hij zeide: “En ik heb tot hen gezegd: Indien het goed is in uw ogen, geeft mijn loon, maar indien niet, laat het. Toen wogen zij mijn loon af: dertig zilverstukken. Maar de Eeuwige zeide tot mij: Werp dat de pottenbakker toe; een heerlijke prijs waarop Ik hunnerzijds geschat ben! En ik heb de dertig zilverstukken genomen en die in het huis van Adonai de pottenbakker toegeworpen.” (hyrkz Zechar’ya [Zacharia] 11:12-13).23 Nadat Yeshua werd overgeleverd begon Zijn lijdensweg gelijk geschreven staat: “En na de tweeënzestig weken zal een Gezalfde (Hebreeuws: Mashiach!) worden uitgeroeid, terwijl er niets tegen Hem is.” (laynd Dani’el [Daniël] 9:26).24 “Maar om onze overtredingen werd Hij doorboord, om onze ongerechtigheden verbrijzeld; de straf die ons de vrede aanbrengt, was op Hem, en door Zijn striemen is ons genezing geworden. Wij allen dwaalden als schapen, wij wendden ons ieder naar zijn eigen weg, maar de Eeuwige heeft ons aller ongerechtigheid op Hem doen neerkomen. Hij werd mishandeld, maar Hij liet Zich verdrukken en deed Zijn mond niet open; als een lam dat ter slachting geleid wordt, en als een schaap dat stom is voor zijn scheerders, zo deed Hij Zijn mond niet open.” (vhyi>y Yeshayahu [Jesaja] 53:5-7).24 Yeshua heeft de straf op Zich genomen die wij allen hadden verdiend voor onze zonden: “Om de overtreding van mijn volk is de plaag op hem geweest.” (vhyi>y Yeshayahu [Jesaja] 53:8).25 De Romeinse soldaten nagelden Hem met Zijn handen en voeten aan het kruis, terwijl velen naderbij kwamen om Hem te bespotten: “Want honden hebben Mij omringd, een bende boosdoeners heeft Mij omsingeld, die Mijn handen en voeten doorboren. Al Mijn beenderen kan ik tellen; zij kijken toe, zij zien met leedvermaak naar Mij!” (,ylht Tehilim [Psalmen] 22:17-18).26 Met Yeshua kruisigden zij ook twee misdadigers, één aan Zijn rechterzijde en één aan Zijn linkerzijde. Zo werd het schriftwoord vervuld, dat zegt: “Omdat Hij Zijn leven heeft uitgegoten in de dood, en onder de overtreders werd geteld, terwijl Hij toch veler zonden gedragen en voor de overtreders gebeden heeft.” (vhyi>y Yeshayahu [Jesaja] 53:12).27 Toen dan de soldaten Yeshua gekruisigd hadden, namen zij Zijn klederen en maakten daarvan vier delen, voor iedere soldaat een deel, en Zijn onderkleed. Dit kleed nu was zonder naad, aan één stuk geweven. Zij zeiden dan tot elkander: Laten wij dit niet scheuren, maar erom loten, voor wie het zijn zal; zodat het schriftwoord vervuld werd: “Zij verdelen Mijn klederen onder elkander en werpen het lot over Mijn gewaad.” (,ylht Tehilim [Psalmen] 22:19).28 Dit hebben dan de soldaten gedaan. Ook de overpriesters spraken lastertaal tegen Yeshua samen met de oudsten en schriftgeleerden en deden precies hetgeen geschreven staat: “Allen die Mij zien, bespotten Mij, zij steken de lip uit, zij schudden het hoofd: Wentel het op de Eeuwige; laat die Hem verlossen, Hem redden, Hij heeft immers welgevallen aan Hem!” (,ylht Tehilim [Psalmen] 22:8-9).29 En van het zesde uur af kwam er duisternis over het gehele land tot het negende uur. Toen riep Yeshua met luider stem, zeggende: .yntbzi hml yla yla Eli, Eli, lama azav’tani! Dat is: “Mijn G’d, mijn G’d, waarom hebt Gij Mij verlaten!” (,ylht Tehilim [Psalmen] 22:2).30 Hierna zeide Yeshua, daar Hij wist, dat alles reeds volbracht was: Mij dorst!, opdat de Schrift vervuld zou worden: “Ja, zij gaven Mij gif tot spijze, en lieten Mij in mijn dorst azijn drinken.” (,ylht Tehilim [Psalmen] 69:22).31 Er stond een kruik vol zure wijn; zij staken dan een spons, gedrenkt met zure wijn, op een hysopstengel en brachten die aan Zijn mond. Toen Yeshua dan de zure wijn genomen had, zeide Hij: Het is volbracht! En Hij riep met luider stem: Vader, “in Uw hand beveel Ik Mijn geest!” (,ylht Tehilim [Psalmen] 31:6).32 En toen Hij dat gezegd had, gaf Hij de geest. En zie, de aarde beefde, en de rotsen scheurden. De Centurio [hoofdman] en zij, die met hem Yeshua bewaakten, zagen de aardbeving en wat er plaats had en zij werden zeer bevreesd en zeiden: Waarlijk dit was een Zoon G’ds. De soldaten dan kwamen en braken de benen van de eerste en van de andere, die met Hem gekruisigd waren; maar toen zij bij Yeshua gekomen waren zagen zij, dat Hij reeds gestorven was, en zij braken Zijn benen niet, opdat het schriftwoord vervuld zou worden: “Hij behoedt al Zijn beenderen, niet één daarvan wordt gebroken.” (,ylht Tehilim [Psalmen] 34:21).33 Zo neemt Yeshua ook in dit opzicht letterlijk de plaats in van het lam dat met Pesach geslacht werd, waarover geschreven staat: “Geen been zult gij ervan breken.” (tvm> Sh’mot [Exodus] 12:46).33 Maar één van de soldaten stak met een speer in Zijn zijde en terstond kwam er bloed en water uit. En die het gezien heeft, heeft ervan getuigd en zijn getuigenis is waarachtig en hij weet, dat hij de waarheid spreekt, opdat ook gij gelooft. Want dit is geschied, opdat schriftwoord vervuld zou worden: “Zij zullen Hem (in het Hebreeuws staat hier: Mij) aanschouwen, die zij doorstoken hebben, en over Hem (wederom in het Hebreeuws: Mij) een rouwklacht aanheffen als de rouwklacht over een enig kind, ja, zij zullen over Hem (Mij) bitter leed dragen als het leed om een eerstgeborene.” (hyrkz Zechar’ya [Zacharia] 12:10).33 Toen het avond geworden was, nam een rijke man, Yosef [Jozef] genaamd, het lichaam van Yeshua van het kruis en legde het in zijn eigen graf, dat hij pas in de rots had laten uithouwen, en zo werd ook dit schriftwoord vervuld: “Bij de rijke was Hij in Zijn dood, omdat Hij geen onrecht gedaan heeft en geen bedrog in Zijn mond is geweest.” (vhyi>y Yeshayahu [Jesaja] 53:9).34

 

Opstanding en heerschappij

 

Drie hele nachten en twee hele dagen lag Yeshua in het graf, maar nadat de derde dag aangebroken was, stond Hij op uit de dood, want er staat geschreven: “Ten derden dage zal Hij Ons oprichten, en Wij zullen leven voor Zijn aangezicht.” (i>vh Hoshea [Hosea] 6:12)35 Na Zijn opstanding verscheen Hij Zijn Tal’midim [discipelen] meermaals, zegende hen en werd toen opgenomen in de hemel. Een wolk onttrok Hem aan hun oog en Hij ging zitten ter rechterhand van Zijn Vader, want: “Aldus luidt het woord van Adonai tot mijn Heer: Zet U aan Mijn rechterhand, totdat Ik Uw vijanden gelegd heb als een voetbank voor Uw voeten.” (,ylht Tehilim [Psalmen] 110:1).36 Ook de profeet Daniel getuigt hiervan in de beschrijving van Zijn visioen: “Ik bleef toekijken in de nachtgezichten en zie, met de wolken des hemels kwam iemand gelijk een Mensenzoon; Hij begaf zich tot de Oude van dagen, en men leidde Hem voor deze; en Hem werd heerschappij gegeven en eer en koninklijke macht, en alle volken, natiën en talen dienden Hem. Zijn heerschappij is een eeuwige heerschappij, die niet zal vergaan, en Zijn koningschap is een, dat onverderfelijk is.” (laynd Dani’el [Daniël] 7:13-14).37 Ooit werd aan Yeshua gevraagd: Zijt Gij het, die komen zou, of hebben wij een ander te verwachten? Nog steeds zijn er velen die met deze vraag zitten, maar Yeshua zelf geeft ons allen op deze vraag het antwoord: Dit zijn Mijn woorden, die Ik tot u sprak, toen Ik nog bij u was, dat alles wat over Mij geschreven staat in de Tora van Moshe [Mozes] en de profeten en de psalmen moet vervuld worden.38 En het is vervuld, want wij hebben zojuist gelezen wat in al de heilige Schriften op Hem betrekking had. Indien wij het getuigenis der mensen aannemen, het getuigenis van G’d is meerder, want dit is het getuigenis van G’d, dat Hij van Zijn Zoon getuigd heeft. Wie in de Zoon van G’d gelooft, heeft het getuigenis in zich; wie G’d niet gelooft, heeft Hem tot een leugenaar gemaakt, omdat hij niet geloofd heeft in het getuigenis, dat G’d getuigd heeft van Zijn Zoon. En dit is het getuigenis: G’d heeft ons eeuwig leven gegeven en dit leven is in Zijn Zoon. Wie de Zoon heeft, heeft het leven; wie de Zoon van G’d niet heeft, heeft het leven niet.39 Aan u de keuze! Gelooft ook u dat Yeshua de Mashiach is, waarvan Moshe en de profeten gesproken hebben? Ik geloof het met heel mijn hart en ik weet dat Yeshua nu bij Zijn Vader is, maar ik weet ook dat Hij spoedig zal wederkomen met grote pracht en heerlijkheid, want er staat geschreven: “Zie, de Eeuwige Adonai zal komen met kracht en Zijn arm zal heerschappij oefenen; zie, Zijn loon is bij Hem en Zijn vergelding gaat voor Hem uit! Hij zal als een Herder Zijn kudde weiden, in Zijn arm de lammeren vergaderen en ze in Zijn schoot dragen; de zogenden zal Hij zachtkens leiden.” (vhyi>y Yeshayahu [Jesaja] 40:10-11).40 Hij, die deze dingen getuigt, zegt: Ja, Ik kom spoedig! Amen!

Werner Stauder

 

 

Noten:

 

1 vhyttm Matityahu [Matthéüs] 3:17, Marcus 1:11, Lucas 3:22

2 Marcus 1:1-4

3 vhyttm Matityahu [Matthéüs] 1:23

4 vhyttm Matityahu [Matthéüs] 2:6, ]nxvy Yochanan [Johannes] 7:42

5 Lucas 1:30-33

6 Lucas 2:21

7 Lucas 2:22-24

8 Lucas 2:25-32

9 vhyttm Matityahu [Matthéüs] 2:16-18

10 vhyttm Matityahu [Matthéüs] 2:13-15

11 vhyttm Matityahu [Matthéüs] 4:15-16

12 vhyttm Matityahu [Matthéüs] 8:16-17

13 vhyttm Matityahu [Matthéüs] 11:2-6, Lucas 7:18-23

14 ]nxvy Yochanan [Johannes] 8:12

15 vhyttm Matityahu [Matthéüs] 13:34-35, Marcus 4:33-34

16 vhyttm Matityahu [Matthéüs] 13:10 en 13-15

17 Lucas 4:16-22

18 vhyttm Matityahu [Matthéüs] 21:1-11, Marcus 11:1-10, Lucas 19:28-44, ]nxvy Yochanan [Johannes] 12:12-19

19 vhyttm Matityahu [Matthéüs] 21:12-14, Marcus 11:15-18, Lucas 19:45-46

20 vhyttm Matityahu [Matthéüs] 21:42-45, Marcus 12:10-12

21 vhyttm Matityahu [Matthéüs] 22:41-46, Marcus 12:35-37, Lucas 20:41-44

22 vhyttm Matityahu [Matthéüs] 26:26-29, Marcus 14:22-25, Lucas 22:14-23

23 vhyttm Matityahu [Matthéüs] 26:14-15 en 27:1-10

24 vhyttm Matityahu [Matthéüs] 27:27-32, Marcus 15:16-20, ]nxvy Yochanan [Johannes] 19:1-3

25 1 Petrus 2:21-24

26 vhyttm Matityahu [Matthéüs] 27:39-40, Marcus 15:29-30

27 vhyttm Matityahu [Matthéüs] 27:38, Marcus 15:27-28, Lucas 23:33, ]nxvy Yochanan [Johannes] 19:17-18

28 vhyttm Matityahu [Matthéüs] 27:35-36, Marcus 15:24, Lucas 23:34, ]nxvy Yochanan [Johannes] 19:23-24

29 vhyttm Matityahu [Matthéüs] 27:41-44, Marcus 4:31-32, Lucas 23:35

30 vhyttm Matityahu [Matthéüs] 27:45-46, Marcus 15:33-35

31 vhyttm Matityahu [Matthéüs] 27:48, Marcus 15:36, Lucas 23:36, ]nxvy Yochanan [Johannes] 19:28-30a

32 vhyttm Matityahu [Matthéüs] 27:50, Marcus 15:37, Lucas 23:44-46, ]nxvy Yochanan [Johannes] 19:30

33 ]nxvy Yochanan [Johannes] 19:32-37

34 vhyttm Matityahu [Matthéüs] 27:57-60

35 vhyttm Matityahu [Matthéüs] 27:62-66, Lucas 24:1-9

36 Filippenzen 2:8-11, ,yrbi Hebreeën 8:1, Kolossenzen 3:1

37 Lucas 21:27, Openbaring 1:13 en 14:14

38 Lucas 24:44

39 a ]nxvy Yochanan alef [1 Johannes] 5:9-13

40 ]vyzx Chizayon [Openbaring] 22:12-21